Trauma & Verandering

(En Denemarken)

Een traumatische gebeurtenis wordt vaak gezien als een levensveranderende gebeurtenis, omdat het ingrijpt in de manier waarop je in het leven staat en hoe je er tegenaan kijkt. Vaak zorgt het ook voor een verandering in de rangorde en mate waarin je dingen belangrijk of juist onbelangrijk vindt. Ook verandert je houding ten opzichte van wat voorheen vanzelfsprekend was, bijvoorbeeld je gevoel van veiligheid.

Niet alleen iets negatief beladens als een trauma is een levensveranderende gebeurtenis. De geboorte van een kind is dat bijvoorbeeld ook. Alle bovenstaande dingen zijn hier ook op van toepassing. Denk maar eens terug aan wat voor grote verandering het was toen jouw kind, of dat van een van je vrienden, je zus, je collega, je buurmeisje of iemand anders die je goed kent, geboren werd.

Hoewel mensen verandering vaak moeilijk vinden, hoeft het op zich niet negatief te zijn. Gezinsuitbreiding is meestal een bron van vervulling en levensvreugde en een kans voor alle gezinsleden om zich verder te ontwikkelen, als persoon, in hun nieuwe rol en binnen een nieuw systeem.

Toch is een dergelijke grote verandering, ondanks al het goede dat het met zich meebrengt, vaak ingrijpend. De oudste, meest primitieve delen van de mens, de delen die zorgden dat we als soort overleefden, houden ervan om te herhalen wat (bewezen is dat) werkt. Ze houden er zelfs van om te herhalen wat eerder werkte, wanneer in het nu duidelijk blijkt dat het niet meer werkt. Het heeft er namelijk eerder wel voor gezorgd dat we zover zijn gekomen. Iets (moeten) veranderen brengt onzekerheid met zich mee. Niet hebben ervaren wat de nieuwe omstandigheden precies inhouden, raakt in het klein aan een overlevingscrisis. Omdat onze leefstandaard tegenwoordig zo hoog is en mensen maar heel zelden geconfronteerd worden met echte levensbedreigende omstandigheden, zullen ze dit gevoel niet als dusdanig herkennen en alleen een soort onbewuste aarzeling, onzekerheid of afkerende houding ten opzichte van de ophanden zijnde verandering waarnemen. Omdat dat is waar we goed in zijn, zullen we die hapering vervolgens proberen te rationaliseren. Denk bijvoorbeeld aan een roker die weet dat het beter is te stoppen, maar dat toch niet doet, omdat ‘hij zijn hele leven eigenlijk nooit echt ziek geweest, terwijl zijn buurvrouw die nooit een sigaret aangeraakt heeft op haar 43e overleden is aan kanker’. Dat klinkt haast redelijk, toch?

Iets soortgelijks zien we gebeuren rondom nieuwjaarsvoornemens. Mensen die niet echt de intentie hebben iets te veranderen (of ze zich daarvan bewust zijn of niet), voelen zich aangetrokken tot het ritueel van ‘iets proberen te veranderen’. Een ritueel dat jaarlijks terugkomt (de herhaling die we zo prettig vinden) en dat we en masse doen (de veiligheid en vanzelfsprekendheid van het sociale aspect). Het is hierbij totaal irrelevant of we de voorgenomen verandering doorzetten. Er gebeurt niets vervelends als we het niet doen. Sterker nog: Er is zelfs een bepaalde algemene verwachting dat Voornemens toch vooral voornemens zullen blijven en dat is ok, want ‘Ach voor iedereen lijkt dat zo te gaan’ en ‘Volgend jaar weer een kans’. (Terwijl we eigenlijk best weten dat we niet een heel jaar of tot een bepaalde datum of op een bepaalde stand van de maan, of wat dan ook, hoeven te wachten om iets te kunnen veranderen)
De kleine groep mensen die wel oprecht wil veranderen en zich daar gedegen op voorbereid, maakt nog steeds gebruik van het geruststellende ritueel van herhaling en de veiligheid van het sociale aspect dat de nieuwjaarsvoornemens met zich meebrengen, waarmee ze het onzekere gevoel dat verandering met zich meebrengt wat weten te bezweren.

Verandering is niet eenvoudig, zoveel is duidelijk.
Maar er zit natuurlijk een groot verschil tussen de verandering die de geboorte van een gewenst kind of het zelf kiezen te stoppen met een gewoonte die bewezen slecht is voor je gezondheid met zich meebrengt en de verpletterende veranderingen die je worden opgedrongen wanneer je een traumatische gebeurtenis doormaakt. De confrontatie met de (gevoelsmatig of werkelijk) levensbedreigende aard van zo’n gebeurtenis, het ervaren van een sterk gebrek aan eigen regie en de ingrijpende gevolgen van dit alles, worden tot een ingewikkelde kluwen, waardoor het voor sommige slachtoffers, ondanks hun leed en ondanks de moeilijkheden die ze in het dagelijks leven ervaren, doodeng kan zijn om (weer) te veranderen. Het onzekere van de nieuwe mogelijke omstandigheden kan hen op zichzelf al herinneren aan de doodsangst van tijdens de traumatische gebeurtenis. Onder andere hierom kan het heel moeilijk zijn om hulp te zoeken.
Daarnaast weten ze dat wat ze tot nu toe hebben gedaan ervoor gezorgd heeft dat ze nog niet dood zijn gegaan. Iets anders, iets nieuws, doet dat misschien wel. Het is dit mechanisme dat bijvoorbeeld ook in werking treedt in de vrouw die als kind misbruikt is en later opnieuw slachtoffer wordt van seksueel geweld en door deze herhaling zo overweldigd wordt door doodsangst dat ze maar besluit mee te werken, want het oude primitieve deel van haar hersenen dat verantwoordelijk is voor overleving, vertelt haar dat wat vroeger werkte, ook nu haar beste kans is om er zo min mogelijk gehavend uit te komen.

Processen als deze spelen zich niet alleen na, maar ook tijdens de traumatische gebeurtenis af. Je ziet het bijvoorbeeld terug in de vrouw die de vaardigheden die ze gedurende haar hele leven heeft geleerd om sociale conflicten op te lossen, gebruikt om anti-sociaal geweld, zoals bijvoorbeeld een verkrachting te de-escaleren. Door vriendelijk en beleefd te zijn, hoopt ze haar aanvaller op andere gedachten te brengen. Helaas is dit vaak precies het gedrag, alsmede de moeite om dit overboord te gooien wanneer het niet blijkt te werken, waar een dader gebruik van maakt, met alle gevolgen van dien.

Op Youtube staat een video van een Amerikaanse politieagent die een gewapende verdachte onder schot hield. Zoals altijd in zulke gevallen, riep hij: “Laat je wapen vallen, laat je wapen vallen!” De verdachte was echter niet van plan om zijn wapen te laten zakken, waardoor de agent zich realiseerde dat dit wel eens verkeerd af zou kunnen lopen. In zijn steeds toenemende angst bleef hij tegen de verdachte roepen dat deze het wapen moest laten vallen, iets dat eerder altijd gewerkt had. De verdachte richtte zijn wapen op de agent. De agent riep nogmaals, luider, sneller, paniekeriger dat hij zijn wapen moest laten vallen. De verdachte gaf er alle schijn van te gaan schieten. De agent bleef bevroren in zijn gedragsspiraal en riep wederom dat de verdachte zijn wapen moest laten vallen. Op de video die opgenomen is met de dashboardcamera van zijn auto, zie je vervolgens hoe de verdachte de agent neerschiet.
Het primitieve deel van zijn hersenen dat hem gijzelde in angst en weerhield om iets aan de situatie te veranderen, omdat dat in eerdere vergelijkbare gevaarlijke situaties altijd werkte, werd hem fataal. Het zou veel gescheeld hebben als hij wat had kunnen veranderen toen dat nodig was.

Soms schrijf ik in mijn blogs over “bang zijn en het toch doen”. Er zijn dan altijd mensen die over me heen vallen en roepen hoe eng dat is en dat ik het niet begrijp, maar heus, dat doe ik wel. Ik weet hoe het is om doodsbang te zijn. Ik weet hoe verlammend angst kan werken. Ik weet hoe moeilijk het kan zijn om dingen te doen die eng zijn. Hoe onveilig het kan voelen om dingen te veranderen, die niet ideaal zijn, maar misschien wel gezorgd hebben dat je er nog bent. Ik weet dat allemaal, maar ik weet ook hoe belangrijk het is om bang te zijn en toch te doen. Ik wil niet zijn zoals die agent. Niet omdat het me erg lijkt om op die manier dood te gaan, maar vooral omdat het me vreselijk lijkt om uit angst voor verandering nooit echt te leven.

Het is belangrijk om dingen te veranderen wanneer je ontevreden bent over (delen van) je leven, gewoontes, situaties. Het is belangrijk om de tijd die je hebt, de minuten die je nooit meer op een andere manier terugkrijgt, te gebruiken om het leven te leiden dat je ten volste wilt leiden. Jij bent de enige die jezelf kan geven wat je nodig hebt.

En ik vind, juist als je al zulke verschrikkelijke dingen mee hebt moeten maken, juist als je terecht zo bang hebt moeten zijn, dat je het verdient om een leven te leiden waarin je je niet laat weerhouden door je angsten. Angst is een datapunt.

Met dit allemaal in mijn achterhoofd, deed ik een maand geleden iets heel bijzonders. Iets (voor mij) levensveranderends. Ondanks ziekte, ondanks dat ik al 10 maanden niet getraind had, ondanks een gebrek aan ervaring, ondanks dat het ver weg was en ondanks dat ik onzeker was over of ik het wel het recht had om daar te zijn tussen allerlei getalenteerde zwaargewichten en juist zeker over het feit dat het heel confronterend en ingrijpend zou worden, heb ik een weekend intensief getraind met Rory Miller, mijn grootste inspiratiebron, in een karatedojo in een klein dorpje in Denemarken.

Wat valt hier nog veel over te schrijven (wat ik vast nog ga doen), maar voor nu volstaat het dat het het mooiste, meest bijzondere weekend van mijn leven was.

Het heeft me wezenlijk veranderd.
En wat ben ik daar dankbaar voor.

 

 

[themablog] ZIE

Morgen is de opening van de ZIE-expositie die ook dit jaar weer aandacht vraagt voor kindermishandeling & huiselijk en seksueel geweld. Indrukwekkende billboards van krachtige mensen; slachtoffers ja. Maar ook veel meer dan dat.

Wat is jouw beeld eigenlijk van een slachtoffer? Denk je dat we zwak zijn? Denk je dat we kwetsbaar zijn? Denk je dat we niet intelligent genoeg zijn om de juiste keuzes te maken? Niet succesvol in ons leven?
Of denk je niet in oordelen en durf je te zien dat we zijn als jij?
Krachtig, waardevol, belangrijk.

Zie ons.
Zie ons helemaal.
ZIE!

Lang geleden toen ik besloot dat ik wat mij overkomen is niet meer weg zou houden om anderen tegen mijn pijn te beschermen; Toen ik mijn schuld en schaamte en alle verantwoordelijkheid weer teruglegde bij de daders en bij iedereen die zag en hoorde, maar niet wilde doen, schreef ik een gedichtje. Ter gelegenheid van ZIE zal ik het hieronder plaatsen:

Ik weet het nog

Ik weet het nog:
Mijn schreeuw om hulp,
mijn tranen in het gras
Dwingend waren je handen
Ik weet hoe klein ik was

Ik weet het nog:
Hoe niemand kwam
Hoe niemand het me vroeg
Duidelijk waren mijn signalen
Ik weet, het waren er genoeg

Ik weet het nu:
Hoe erg het is
Dat wat jij deed met mij
Krachtig zal mijn stem dus klinken
Het zwijgen is voorbij

Wees welkom bij de expositie.

Mijn oudste vriend

In mei ben ik begonnen met Aikido. Ik doe dat nu een poosje en vind het erg leuk. De belangrijkste motivatie om te beginnen, lag voor mij in mijn angst/weerstand om naar de grond te gaan. Aikido werkt met gewrichtsklemmen en technieken om je trainingspartner uit balans en naar de grond te brengen, dat is de kern. Als ik mijn angst wilde uitdagen, was dit een goede plek om dat te gaan doen.

Een van de belangrijkste drijfveren achter de dingen die ik doe, is altijd: “Ik ben bang, dus ik doe het.” Al op heel jonge leeftijd heb ik meer angst gekend dan ik vind dat iemand ooit in zijn leven hoort mee te maken. Het was terechte angst; Angst voor dingen die konden gebeuren en vaak ook werkelijk gebeurden, maar die nooit hadden mogen gebeuren.
Dit heeft ertoe geleid dat ik nu ik volwassen ben en uit de onveilige situatie, deze angst een beetje in mezelf heb verinnerlijkt, ondanks dat ik nu niet meer afhankelijk en onmachtig ben.

Ik zie mijn angst als een soort overbeschermende vriend die bij alles wat maar enigszins bedreigend lijkt, zichzelf opblaast en begint te roepen “Blijf uit de buurt!” mij onderwijl terugloodsend naar waar we vandaan kwamen. Het is goed bedoelt, dat weet ik, maar het is toch ook wel een beetje irritant. Bovendien is het onnodig. En ik wil vooruit, verdorie!

Eigenlijk wil ik niet meer bang zijn. Het is een vervelend gevoel: Mijn hart gaat snel kloppen. Ik voel een steen in mijn buik. Mijn ademhaling gaat hoog, of ik stop helemaal met ademen. Mijn lijf voelt gespannen. Soms word ik bijna bang voor de angst.

Nu heb ik een aantal dingen ontdekt:

‘Mijn vriend Angst’ geeft om mijn veiligheid.
‘Mijn vriend Angst’ laat zich geruststellen als blijkt dat ik veilig was.
‘Mijn vriend Angst’ wil graag met me samenwerken om te zorgen dat ik veilig ben.
‘Mijn vriend Angst’ vindt het moeilijk om helemaal weg te gaan als ik iets engs doe, maar het lukt hem om wat meer op een afstandje te gaan staan als ik laat zien dat ik de confrontatie met wat eng is, prima zelf aan kan.
Ik heb zelfs gemerkt dat het ‘mijn vriend Angst’ lukt om een volgende keer wat meer op een afstandje plaats te nemen als er al een aantal succeservaringen zijn geweest.

Angst is een datapunt. Het hoort sowieso bij het leven in het algemeen en het hoort in belangrijke mate bij mijn leven nu. Daar zijn logische verklaringen voor. Ik kan dat wel vervelend gaan vinden, maar daar wordt het niet anders van. Ik moet werken met wat is.

Ik heb geleerd dat ‘mijn vriend Angst’ altijd hard begint te schreeuwen bij dingen die nieuw voor me zijn, dingen die tegengesteld zijn aan de dingen die ik geleerd heb en bij dingen die me doen denken aan vroeger.

Ik weet ook dat ik van nieuwe dingen hou. Dat ik blij word van dingen proberen. Dat ik het leuk vind om te spelen. Dat ik graag leer.
Ik weet ook dat niet alles wat ik geleerd heb, me geleerd is door goede leraren en middels prettige ervaringen en dat dat niet de dingen zijn die de rode draad van mijn leven mogen bepalen; dat tegengestelde ervaringen dan juist meer dan welkom zijn.
Verder weet ik dat de dingen die me doen denken aan vroeger alleen maar een signaal zijn die benadrukken dat ik in het nu een kans heb om dingen anders te doen nu ik niet langer onmachtig ben en klein.

Daarom “Ik ben bang, dus ik doe het”.

Inmiddels zit ik al bijna een half jaar op Aikido. Het is al lang niet meer eng om naar de grond te gaan. Ook nabijheid (nog zoiets wat ik eng vind) wordt steeds minder beladen. Door de wisselende samenstelling tijdens onze lessen, trek ik soms iemand tegen me aan wiens naam ik niet eens weet. En dat is prima.


‘Mijn vriend Angst’ loopt nog altijd met me mee de dojo in waar hij om zich heen kijkt, de onbekende personen en elementen registreert, zijn schouders ophaalt en dan even naar me glimlacht, terwijl ik plaatsneem op de mat. Angst is een datapunt. Ik glimlach terug. “Het is ok”.  Hij weet dat het waar is en vertrekt.

Een les in doseren

Voor veel slachtoffers van seksueel geweld, met name in de jeugd, zijn gezonde grenzen niet vanzelfsprekend. Ook kinderen die zijn opgegroeid in een opvoedingsklimaat waarin hun behoeften ondergeschikt werden gemaakt aan dat van de andere gezinsleden, worstelen hier vaak mee.

Je ziet dan vaak dat grenzen ofwel te open (de allemansvriend) zijn of te gesloten (contactvermijdend en overgevoelig). Wanneer mensen het moeilijk vinden om grenzen in zichzelf te voelen, proberen ze dit soms op te lossen door te spiegelen wat ze in hun omgeving zien. Dit kan een goede manier zijn om te oefenen, maar er schuilt ook veel risico in omdat een omgeving nog steeds of wederom onveilig kan zijn; Immers als je zelf niet geleerd hebt wat gezond is, langs welke lat leg je de mensen dan die je in je leven laat?

Gezonde grenzen leren voelen en stellen is erg belangrijk. Grenzen bepalen in belangrijke mate je veiligheid, zowel innerlijk als in relatie tot anderen. Daarnaast bepalen ze ook je vrijheid.

Ik schreef al eerder een blog over het leren stellen van gezonde grenzen.

Vandaag wil ik schrijven over een onderwerp dat hier nauw mee samenhangt, namelijk doseren. Ook dit is een vorm van begrenzen. Het gaat om de vraag wanneer iets genoeg is. En ook over hoe je zorg gaat dragen dat het niet teveel wordt.

Dat klinkt eenvoudiger dan het is, hoewel ik daarin misschien wat bevooroordeeld ben omdat ik het van tijd tot tijd zelf namelijk nog best lastig vind.

Als je bent opgegroeid in een situatie waarin jouw ‘genoeg’ geen grens bleek voor een ander of wanneer het aangeven van ‘genoeg’ juist leidde tot uitbuiting van die kwetsbaarheid, straf en/of geweld, heb je waarschijnlijk geleerd dat het aangeven van een grens niet succesvol is. Erger nog: Vaak leren zulke kinderen dat het oprekken van hun eigen definitie van genoeg of het niet meer voelen van ‘genoeg’ het enige is dat erger lijden voorkomt.

In de volwassenheid zetten zulke patronen zich, als ze niet worden uitgedaagd, voort. Het gevolg is dat dingen, zonder dat gezonde anderen die perspectief zouden kunnen bieden, het in de gaten hebben, vaak allang teveel zijn voordat duidelijk blijkt dat ze dat zijn. Dit zie je bijvoorbeeld terug in die collega op je werk die alles altijd aanpakt en tot in de puntjes afrondt tot hij ‘opeens’ burnout thuis komt te zitten, maar ook in de te fanatieke sporter die altijd blessures heeft.

Of en hoe je doseert hangt af van je persoonlijkheid en je levenservaringen, maar ik ben van mening dat het, net als het meeste gedrag overigens, leerbaar is.

Voor mij is goed kunnen doseren lang behoorlijk problematisch geweest. De twee voorbeelden hierboven? Allebei op mij van toepassing. Ik voelde mijn lijf niet goed en ik had geen gezonde definitie van genoeg.  ‘Teveel’ kwam in mijn woordenboek eigenlijk helemaal niet voor. Het was een tijdlang zo erg dat het, hoewel een dergelijk mankement vaak redelijk onzichtbaar (totdat het implodeert natuurlijk) blijft, anderen ook opviel. Vaak wist ik het nog weg te wuiven met ‘Ach, ik ben gewoon een beetje perfectionistisch. -Niets aan de hand’, maar gelukkig heb ik mensen om me heen die daar, nog eigenwijzer dan ik (en dwars door me heen kijkend), geen genoegen mee namen. En nemen.

Een van de voordelen van traumatherapie was dat ik mijn lijf en mijn grenzen beter leerde voelen. Ik leerde hoe waardevol ik ben en hoe belangrijk het is om me te omringen met mensen die dat ook zien. Die mij respecteren. En ook mijn grenzen. Voor wie ik niet alleen maar hoef te rennen. Voor wie ik goed genoeg ben.

Het is lastig om patronen te doorbreken. Ik doe erg mijn best en heb hier veel stappen in gemaakt, maar er blijven dingen te leren:

In de zomervakantie liep ik nog een behoorlijke schouderblessure op met Aikido. Ik voelde pas toen het trainen voorbij was hoeveel pijn het deed. Daarna heb ik geprobeerd om mijn schouder niet teveel te belasten. Dat lukte goed. Ook toen ik mijn schouder weer gewoon kon gebruiken en bewegen, bleef ik voorzichtig.

Wat ik dan weer niet deed was over de blessure vertellen bij de zelfverdedigingstraining die ik drie weken geleden had. Eigenlijk was ik best trots dat ik bij die training aandacht had gehouden voor de schouder. Ik wisselde bijvoorbeeld een keer van arm toen het niet zo fijn voelde. Toen ik na de training alsnog vertelde over de blessure was mijn leraar niet blij. Helemaal niet blij. Ik begreep dat eerst niet zo goed. Ik had toch opgelet? Ik had toch getraind met respect voor mijn blessure? Ik beloofde het de volgende keer te zeggen, maar dat was eigenlijk vooral omdat hij er niet blij mee was en niet vanuit eigen motivatie.

Toen ik er over nadacht, realiseerde ik me hoe onlogisch en tegennatuurlijk het nog voor me voelt om te zeggen dat ik pijn heb; dat ik kwetsbaar ben. Ik dacht na over momenten dat ik kwetsbaar was geweest en hoe anderen vervolgens profiteerden van die wetenschap. Ik dacht aan hoe ik vroeger gestraft werd als ik per ongeluk liet merken dat ik pijn had. Aan hoeveel erger het dan werd…Ik kon me eigenlijk concreet geen enkel moment herinneren dat ik het had aangegeven en dat er niets naars gebeurd was. Verdrietig en verhelderend:

Voelen wanneer mijn lijf auw zegt en er naar luisteren was inmiddels ok, maar het aangeven aan een ander (zeker in een setting waarin ik me al kwetsbaar voel) was dat nog niet. Helemaal niet.

Maar ik wil mijn leven vullen met positieve dingen, met tegengestelde ervaringen: Nieuwe, fijne, veilige ervaringen. Ik wil kunnen vertrouwen. Op de ander en vooral op mezelf; Dat ik me wel red en dat ik zal doen wat nodig is om mezelf te beschermen als de ander toch niet te vertrouwen blijkt. Dat dat nooit het einde van de wereld kan zijn omdat het niet opweegt tegen hoe waardevol ik mezelf vind.

Dat wil ik. En meer. Ik wil vooruit! Dus heb ik besloten het anders te gaan doen. Ik heb er over gepraat. Gezegd hoe het voor mij was en mijn excuses aangeboden. (Dit keer omdat ik het wel begreep).

Dit was niet perfect, maar dingen hoeven ook niet perfect te zijn. Gedrag ‘ontleren’ duurt lang.  Soms denk je het einde van de weg te zien, maar als je dan dichterbij komt blijkt het alleen een bocht te zijn.

Vrijdag was ik bij Aikido. Ik leerde daar iets moois. Het was een les over verdragen die voor mij een les over doseren werd.

We deden gewrichtsklemmen. Aikido heeft er veel. Het is een laag level van geweld om dingen van iemand gedaan te krijgen of in een positie te brengen die jou een voordeel oplevert. Je ziet ze bijvoorbeeld ook soms wanneer een  politieagent een verdachte boeit.

Het voordeel van een klem is dat de kans op verwondingen klein is en dat je in principe mensen kunt verplaatsen of tegen de grond kunt krijgen die sterker, groter en zwaarder zijn dan jij. Klemmen zijn handig maar beëindigen een gevecht niet, dus ik raad ze niet aan om jezelf te verdedigen, maar daar gaat dit niet over.

We deden dus een oefening in verdragen. Klemmen zijn niet prettig. Als ze goed worden toegepast kunnen ze behoorlijk pijnlijk zijn. De bedoeling van de oefening was om een klem te ondergaan, waarbij de druk werd opgevoerd en om dan de pijn te verdragen. In Aikido kloppen we af als een techniek te pijnlijk wordt, dan wordt direct losgelaten. Sensei zei dat we dit keer nadat we zouden afkloppen nog een tijdje dezelfde druk op de klem zouden blijven voelen, terwijl we onze focus naar buiten en weg van de pijn moesten richten; Een les in verdragen.  “In het leven gebeuren er ook soms vervelende dingen. Het doel van deze oefening is om te leren om onprettige dingen in de ogen te kijken, ze te verdragen (niet erin te berusten), je er niet door te laten verlammen en te kunnen blijven handelen”. Een heel waardevolle oefening denk ik zo.

Voor mij werkte het echter anders: Ik ben niet bang voor pijn.Toen de klem op mij werd toegepast, richtte ik mijn aandacht vrijwel meteen ergens anders op (dat is mijn manier van omgaan met zulke dingen). De druk werd opgevoerd en het was goed vol te houden. Tot het dat niet meer was. Toen mijn schouder zoveel pijn deed dat ik er niet meer langs kon ademen, klopte ik af. Ik was aan het einde van wat ik kon verdragen, maar we waren nog niet aan het einde van de oefening. De druk op mijn schouder bleef constant. Het voelde alsof ik hem zou breken. Ik probeerde mijn arm ontspannen te houden, maar dat was heel moeilijk. Het deed echt zeer. Ik heb mezelf vervloekt omdat ik te laat heb afgeklopt, omdat ik al voorbij ‘genoeg’ was en in ‘teveel’ was beland. Natuurlijk stopte het ook weer. En natuurlijk zou het eerder zijn gestopt zodra ik stop had gezegd*, maar dat wilde ik niet. Ik ben blij met deze les. Het was iets dat ik moest leren.

 

 

*Ik kan me voorstellen dat het misschien eng is om zoiets te lezen,  maar het was voor mij niet eng om te ondergaan. Pijnlijk? Dat wel. Eng niet. Ook toen ik in die klem lag voelde ik me volkomen veilig. 

Het is niet zo makkelijk!

Soms, als ik blogs schrijf zoals die van afgelopen maandag “De enige die jou tegenhoudt, ben jij”, krijg ik veel reacties van lezers die moeite hebben met de discrepantie tussen theorie en de praktijk: “Dat zeg je wel heel makkelijk, maar…”
“Het is helemaal niet zo eenvoudig, want…” En dan komen er argumenten.

Ik weet dat het niet makkelijk is.

Ik zeg nergens dat het dat wel is. Alle argumenten die ik gehoord heb over moeilijke levens, slechte ervaringen, grote verliezen en terugkerende teleurstellingen gaan ook voor mij op. Sterker nog: Ik denk dat zelfs mensen zonder een voorgeschiedenis van trauma geen leven geleid hebben vrij van teleurstellingen en verdriet. Tegenslagen horen nu eenmaal bij het leven.

Wat ik hoop als ik zo’n blog schrijf, is dat je ondanks die tegenvallers, ondanks je voorgeschiedenis, gaat voelen wat er nog meer is; hoeveel ruimte en mogelijkheden. Dat het leven ook heel mooi kan zijn. Dat je jezelf niet onkwetsbaar kunt maken voor pijn en verdriet, betekent niet dat pijn en verdriet het enige is wat er op jou zal wachten als je je hoofd uit het raam steekt; Het betekent niet dat je geen geluk meer na kunt streven. Het kan er naast elkaar zijn. En soms betekent dat een mooi moment op een verder vervelende dag, soms is het meer andersom. Soms gaat het om langere periodes waarin je bv zo gelukkig zult zijn dat het voelt alsof je je in een sprookje bevindt. Denk niet dat dat niet voor jou weggelegd is, omdat je heel, heel verdrietig en heel heel gebroken bent (geweest).

Dus: Het is niet makkelijk.
Maar het is ook niet onmogelijk.

Mijn stokpaardje is dat je steeds opnieuw kunt kiezen en dat is waar. Het betekent misschien niet dat er altijd een optie bij zit die jouw ideale keuze is, maar wel dat er altijd een is die beter is dan de rest. En stel dat het je echt om het even is of het A, B of C is, kies dan toch, omdat het kiezen op zich, betekent dat je regie ervaart, invloed op de wereld om je heen en dat is heel waardevol.

Sinds mei ongeveer doe ik Aikido. Hoewel ik het heel leuk vind, is het ook spannend voor me. Iedere les is er 1 van overwinningen. Als het niet is omdat het me lukt ontspannen te zijn wanneer ik (door iemand die ik totaal niet ken) in een gewrichtsklem naar de grond wordt gebracht, dan is het wel omdat ik blunder na blunder na blunder aaneenrijg en mezelf toch weet te vertellen dat het helemaal niet erg is om fouten te maken.

En hoewel ik al deze dingen te overwinnen heb, hoewel mijn hart soms snel gaat kloppen en ik mijn adem in wil houden, is er ook het plezier. Ik voel warmte en ontspanning in mijn buik, ik lach met mijn aikimaatjes. Ik respecteer mijn Sensei. Ik voel me echt gelukkig als ik daar ben.

Dingen kunnen naast elkaar bestaan.

Ik ben daar omdat ik er wil zijn, dus kán ik er zijn.

En ik denk dat het daar op neer komt:
Dat het niet makkelijk is en dat je het toch kunt doen.

Er is altijd keuze

Toen ik in groep 7 zat,  in de tijd van het opkomen van de pestprotocollen, volgde ik een weerbaarheidstraining.  Het leek een beetje op wat Rots & Water nu is en ging vooral over het jezelf laten horen en ruimte mogen innemen.

In die tijd was ik zo goed als onzichtbaar. Ik had immers al lang geleerd hoe gevaarlijk het was om ruimte in te nemen, op te vallen,  uitgekozen te worden…
Ironisch genoeg had ik toch ook toen al door dat mijn strategie van onzichtbaarheid ook geen goede was. Toen ik tien was schreef ik hier een gedicht over:

De blik in haar ogen:
zo leeg en vol verdriet
Haar gezicht staat treurig;
Een lach zie je niet
Ze staat daar met afhangende schouders,
alleen en stil
Haar hoofd is gebogen
Ze zegt niet wat ze wil
Ze staat daar zo klein
Ze stelt zich zo onopvallend mogelijk op
Ze lijkt weg te willen kruipen in een hoekje
En toch valt ze op

Hoewel ik het toen niet zo goed begreep als nu, beschrijf ik hier de kern van wat ten grondslag ligt aan herhaald slachtofferschap: Opvallen door onzichtbaarheid, er uit springen door meegaandheid:
‘Kies mij. Ik ben een makkelijk slachtoffer’

De weerbaarheidstraining had hier misschien verandering in kunnen brengen, maar stond nog teveel in kinderschoenen om effectief te zijn. Het was niet dat ik geen ruimte in durfde te nemen, ik wílde dat niet.
En als mij de vraag gesteld werd: “Wat is het ergste wat er kan gebeuren als je dit doet?” dan waren er voldoende horrorherinneringen, die ik uiteraard niet uitsprak, aan de erge dingen die daadwerkelijk waren gebeurd toen ik iets vergelijkbaars deed.

Toch vond ik de training leuk. Ik was er, zonder er ook maar iets van toe te passen in het dagelijks leven, ook heel erg goed in (wat mogelijk een reden was waarom ik het leuk vond). Ik weet niet goed of ik er zo goed in was, omdat ik ervan genoot te spelen en te oefenen met dingen die ik in het echte leven nooit zou doen, of omdat aangepast en wenselijk gedrag me zo eigen was. Wat het ook geweest mag zijn, het leidde ertoe dat ik er meer van mezelf liet zien dan ik elders deed. Ik liet merken hier (ergens) goed in te willen zijn en ook gevoelig te zijn voor de lof en waardering van mijn lerares, iets dat zij uitlegde als leergierigheid.

Omdat we uit hetzelfde dorpje kwamen, reed ik altijd met haar mee naar de training. In de auto begon ze me om me te prikkelen meer inhoudelijke vragen te stellen over de stof en ze was vooral gefascineerd toen ik de groepsdynamiek zo helder bleek te hebben. Ze stelde me interessante vragen over gedrag en wist me toen ik wat meer loskwam te ontfutselen dat ik psycholoog wilde worden (wat ze een goed idee vond) en schrijver (wat ze ook een goed idee vond, nadat ik eens een keer wat schrijfsels voor haar meegenomen had). Op haar beurt vertelde ze me over de gedichten die ze las, over haar boerderij en over haar motivatie om dit werk te doen.

Tijdens het laatste ritje voor het examen, gaf ze me twee dingen: Een uittreksel over ‘noodweer’ uit het wetboek (“zodat je weet hoeveel ruimte je werkelijk hebt”) en een gedicht waar ze onder schreef: “Jij begrijpt dit”

Als je denkt “ik ben verslagen”,
is de nederlaag een feit.
Als je denkt “ik zal niet versagen”,

win je op den duur de strijd.

 

Als je denkt “ik kan het niet halen”,
is de tegenslag op til.
Want het overslaan der schalen,

hangt voornamelijk af van wil.


Moedelozen gaan ten onder,
door hun twijfel, door hun vrees.
Vechters winnen door een wonder,

telkens weer de zwaarste race.


Denk “ik kan het”, dan gaat het,
iedereen vindt bij wilskracht baat
en in zaken wint de daad het,
van het nutteloos gepraat.

Als je jammert “ik ben zwakker”,
dan mijn grootste concurrent,
blijf je levenslang die stakker,

die je ongetwijfeld bent.


Niet de Goliaths of de rijken,
tellen in dit kamp voor zes.
Maar de fermen die niet wijken,

hebben vroeg of laat succes.

Ik begrijp het inderdaad, maar nu wel veel beter dan toen.

Veiligheidsexpert Rory Miller schrijft regelmatig iets dat ik echt geweldig vind: “Fighting Minds, not bodies” (vrij vertaald: Een gevecht is meer mentaal dan fysiek).

Het is waar.

Ik schrijf vaak dat er altijd keuze is.
Soms zijn je opties misschien waardeloos, zo is het leven, maar er zit altijd een optie bij die, hoewel wellicht ook slecht, net iets beter is dan de andere. Blijf regie  houden. Maak bewust en actief keuzes. Soms betekent dat kiezen om niets te doen. Soms betekent dat verdragen wat bijna niet te verdragen valt (zoals bv bij traumatherapie).

Geef nooit de mogelijkheid op om te kiezen.
Laat je niet verslaan.

Zonder vallen geen opstaan

In ‘Momentum’ schreef ik over een Aikidoles. Het was een anekdote die niet bij iedereen evenveel in de smaak viel. Toch wil ik Aikido ook nu weer aanhalen, omdat het mooi metaforisch is voor wat ik wil schrijven.

Sinds de les die ik in ‘Momentum’ beschreef, ben ik nog een aantal keer geweest. Iedere les dat ik er was, was er een van overwinningen.
Mijn tweede Aikido-les was ik samen met een vriendin. We kregen ‘Senpai’ (leerling-mentoren) toegewezen om mee te oefenen; een mannelijke zwartebander en een vrouwelijke. Mijn vriendin vond het vervelend om met een man te oefenen, dus hoorde ik mezelf vragen of we konden ruilen. Twee uur lang heb ik getraind met een man die groot, breed, sterk, zwaar en zwaar-ademend was (Zo’n beetje alles wat ik eng vind).

Behalve die dingen was hij ook een hele goede leraar: Zacht, empathisch en voorzichtig.
Hij vroeg me of ik bang was, wat ik ontkende, waarna hij vervolgens zei: “Jawel, maar dat hoeft niet. Ik ga je geen pijn doen”. Ook mijn perfectionisme weerlegde hij: “Als je hier één ding leert vanavond en dan weggaat en weer terugkomt, omdat het behapbaar is en je doet dit honderd keer, dan heb je tegen die tijd honderd dingen geleerd. En dat is echt veel”
Ik voelde me de hele avond volkomen veilig. Aikido werkt vanuit ontspanning en dat lukte me.  Mijn hartslag was rustig en mijn hoofd was helder. Zelfs toen ik in een oefening samen met Senpai naar de grond moest, waarbij hij boven was, op mijn armen steunend en ik onder, was ik kalm. De regie was steeds bij mij. Ik wist dat er nog heel veel dingen waren die ik kon doen als het mis zou gaan en ik wist ook dat het niet mis zou gaan. Dit was een trainingssetting. Ik zag hoe goed er hier werd gecommuniceerd. Ik ondervond het toen ik besloot om eens niet af te kloppen. Zodra de spanning in mijn lijf toenam doordat de gewrichtsklem te pijnlijk werd, liet Senpai mijn arm los.
In alle opzichten durfde ik het  risico te nemen om te vallen, omdat ik absoluut zeker wist dat ik weer op zou staan. Ik bepaal.
Ergens tegen het einde van de avond zelfs letterlijk. Senpai zei bij een gecompliceerde worp: “Ik ga je niet gooien. Ik volg jou”, waarop ik reageerde: “Jawel, doe maar”. Hij gooide me en ik viel. Ik had rekening gehouden met die val, dus ik kon hem breken en ik kon meteen weer opstaan.

Zo is het met alles: Alles wat je leert, alles wat je aangaat, gaat niet zonder te vallen. Zo werkt leren, zo werkt léven.
Ik maak hier op mijn blog vaak de vergelijking met leren fietsen, maar wat ik hier boven schrijf over Aikido is hetzelfde:

Als je accepteert dat je zult vallen en dat dat ‘ok’ is en ‘niet erg’, kun je bepalen hoe je terecht komt; Dan kun je je val breken.
Daarna zul je gewoon weer op kunnen staan, net als ik.

Ja, ik had blauwe plekken op mijn schouder, maar die vallen in het niet bij wat ik die avond geleerd heb, bij mijn overwinningen en bij het plezier dat ik had.

Ik voelde mijn schouder nog, toen ik het inschrijfformulier inleverde, maar wat ik me nu vooral herinner is hoe het voelt om steeds weer op te staan.

Durf te vallen!

Aanpak seksueel geweld?

Plaats revictimisatie bovenaan de agenda.
door I. Bicanic, 2 mei 2016

Door gedegen onderzoek is er veel bekend over de omvang van seksueel geweld in Nederland. Dat is een goede zaak natuurlijk. Maar we moeten niet te lang blijven hangen bij percentages, en het ongeloof over de hoogte ervan, of het geneuzel welke ervaringen nou precies wel en niet onder de definitie van seksueel geweld valt. Seksueel geweld is een ongemakkelijke realiteit, onbestaanbaar waar. Door dit te accepteren kunnen we voorbij de cijfers en pas goed zicht krijgen op het meest zorgelijke deel van het fenomeen. Namelijk het aantal mensen dat seksueel misbruikt is én daarvan last heeft. Onderzoek toont aan dat dit een kleine helft van de slachtoffers betreft.

De hulpvraag van deze mensen heeft meestal betrekking op problemen met de verwerking zoals een Post Traumatische Stress Stoornis (PTSS).
PTSS houdt in dat iemand met name last heeft van herbelevingen, vermijdingsgedrag, slaap- en concentratieproblemen.

Dat slachtoffers van seksueel geweld meer risico hebben op PTSS dan slachtoffers van andere ingrijpende gebeurtenissen, heeft ermee te maken dat het misbruik tussen personen gebeurt, dat mensen soms intense (doods)angst ervaren, dat over het misbruik meestal wordt gezwegen uit schaamte en angst, en dat het letterlijk dichtbij komt namelijk op of in het lichaam.
Een aantal typische reacties op misbruik, vergroot de kans op PTSS. Bijv. wanneer mensen zich schuldig voelen, omdat ze bijv niks konden doen als gevolg van een verlamd gevoel of omdat ze een genitale respons kregen (erectie, ejaculatie, lubricatie), dan is de kans op het ontstaan van PTSS ook groter. Mensen die al eerder misbruikt zijn of al eerder psychiatrische problemen hadden, hebben meer risico om vast te lopen in de verwerking. Dat geldt ook voor mensen die een groepsverkrachting hebben meegemaakt of letsel tijdens het seksueel trauma hebben opgelopen.

Aan de gevolgen van seksueel geweld is gelukkig iets te doen. PTSS is in principe goed te behandelen. Dat moet ook wel want als PTSS onbehandeld blijft, komen er op termijn problemen bij zoals depressie, andere angststoornissen of revictimisatie.

Revictimisatie betekent herhaald slachtofferschap. Helaas is het zo dat elk interpersoonlijk trauma in principe een volgend interpersoonlijk trauma voorspelt. Verschillende studies hebben aangetoond dat ongeveer de helft van de slachtoffers van seksueel misbruik in de kindertijd later weer slachtoffer gaat worden. Mensen die misbruikt zijn hebben dit dus vaak al eerder meegemaakt, maar zijn ook ‘at risk’ om opnieuw misbruik mee te maken of een andere vorm van interpersoonlijk geweld. Uit onderzoek blijkt dat de diagnose PTSS een mediërende factor zou zijn binnen dit verband. Zo wordt verondersteld dat misbruik leidt tot symptomen zoals vermijdingsgedrag of hyperalertheid, waardoor men signalen van gevaar respectievelijk minder snel opmerkt of niet kan differentiëren. Daarom is een effectieve verwerking van negatieve seksuele ervaringen, danwel traumabehandeling wanneer verwerking stagneert, noodzakelijk. Niet alleen om traumasymptomen te verminderen of te elimineren en de kwaliteit van leven te verbeteren, maar ook om seksuele revictimisering te voorkomen.

Hulpverleners in de GGZ zijn bij een PTSS-diagnose verplicht om EMDR of cognitieve gedragstherapie te geven omdat uit (inter)nationaal onderzoek is gebleken dat deze therapieën het meest effectief zijn. Een luisterend oor, hoe prettig ook, vermindert traumagerelateerde klachten zoals herbelevingen niet.
Bijv. zes maanden na het meemaken van een verkrachting voldoet 39% van de slachtoffers aan een PTSS. Het maakt daarbij geen verschil of je niks doet of alleen een luisterend oor biedt. Behandelaren kunnen bij het kiezen van een behandelmethode dus terugvallen op internationale richtlijnen, die zich baseren op empirische evidentie.

Toch is het in de praktijk zo dat met name personen die lijden onder de gevolgen van vroege en interpersoonlijke traumatisering in de jeugd, ook wel complexe PTSS genoemd, geen toegang krijgen tot deze voorkeursbehandelmethoden of worden onderbehandeld met non-directieve therapievormen die op basis van onderzoek minder geschikt zijn voor de behandeling van PTSS. Hierdoor kunnen traumagerelateerde klachten onnodig lang aanhouden en is er meer risico op het optreden van comorbiditeit, stagnatie in de ontwikkeling en revictimisering.

De vraag is waarom de richtlijnen bij getraumatiseerde personen te weinig in acht worden genomen. Mogelijk zijn behandelaren – onterecht – bang om hen te hertraumatiseren of hen te ontregelen. Behandelaren vrezen vaak dat bijvoorbeeld EMDR of ‘imaginaire exposure’ leidt tot verslechtering of voortijdige uitval van hun patiënten, terwijl er geen aanwijzingen zijn dat dit bij een traumagerichte behandeling vaker gebeurt dan bij andere interventies. Ten slotte wordt de complexiteit van casuïstiek aangedragen als argument om van de richtlijnen af te wijken. Onderzoek toont echter aan dat co-morbiditeit niet het verschil in behandeleffect bepaalt. Wel kan de behandeling langer duren en is soms meer exploratie en motivatie nodig om de traumatische herinneringen te identificeren.

Ik doe hierbij een oproep aan een ieder die zich inzet tegen seksueel geweld om in voorlichtingen, blogs, contacten met hulpverleners, en media-acties het onderwerp revictimisatie bovenaan de agenda te zetten met betrekking tot de aanpak van seksueel geweld.
En dan op nummer twee graag de rol van evidence-based behandeling in het mogelijk verbreken van de vernietigende geweldscyclus.



dr. Iva Bicanic is klinisch psycholoog en hoofd van het Landelijk Psychotraumacentrum in het UMC Utrecht. Vanaf 1997 werkt zij met kinderen, jongeren en jong-volwassenen die seksueel trauma hebben meegemaakt. Tevens is zij hoofd van het multidisciplinaire Centrum Seksueel Geweld dat in 2012 in het UMC Utrecht is geopend voor acute slachtoffers van een verkrachting, en verantwoordelijk voor de landelijke uitrol van deze centra. In maart 2014 is zij gepromoveerd op het onderwerp ‘Psychological and biological correlates of adolescence rape’.